Het ontgraven of verplaatsen van stoffelijke resten brengt kosten met zich mee door de inzet van personeel en materieel. Door middel van een specifieke belasting levert de aanvrager een financiële bijdrage.
De financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven, vereist dat diverse belastingen worden geheven waarbij een rechtmatige belastingdruk wordt nagestreefd.
Art. 1 Met ingang van 1 januari 2026 en voor een termijn eindigend op 31 december 2031 wordt een gemeentebelasting gevestigd op de ontgravingen van stoffelijke overblijfselen op de gemeentelijke begraafplaatsen.
Art. 2 De belasting is verschuldigd door degene die de machtiging tot ontgraving aanvraagt.
Art. 3 De belasting wordt vastgesteld op
- 750 EUR voor elke ontgraving of verplaatsing van niet-gecremeerde stoffelijke overschotten,
- 75 EUR voor elke ontgraving of verplaatsing van gecremeerde stoffelijke overschotten,
Vrijstelling van belasting wordt toegestaan voor kinderen beneden de 18 jaar op de datum van het overlijden.
Art. 4 Geven geen aanleiding tot de toepassing van deze belasting :
a) de ontgravingen verricht in uitvoering van rechterlijke beslissingen ;
b) de ontgravingen van in geconcedeerde grond geplaatste stoffelijke overschotten of urnen in nissen bij verandering van de bestemming van de begraafplaats ;
c) de verplaatsing van urnen naar een columbarium indien dit niet klaar was op het ogenblik van het overlijden en voor zover die plaatsing schriftelijk aangevraagd werd bij de verassing;
d) de ontgravingen van burgerlijke en militaire oorlogsslachtoffers die op aanvraag van de verwanten of van de bevoegde overheden geschieden.
Art. 5 Vanaf de dag van de ontgraving moet de belasting contant worden betaald, tegen afgifte van een ontvangstbewijs. Bij gebreke van contante betaling binnen de 10 dagen na de ontgraving wordt de belasting ingekohierd, kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door door het college van burgemeester en schepenen.
Art. 6 De belastingplichtigen kunnen bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen. De bezwaren moeten schriftelijk worden ingediend, worden ondertekend en gemotiveerd. De indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of vanaf de kennisgeving van de aanslag.
Art. 7 De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht van de bekendmaking van het reglement op de webtoepassing van de gemeente.